- bang
- adv. klap, dreun; met lawaai--------interj. boem!--------n. slag; geluid van een explosie; harde slag, dreun; verdovend middel, hennep--------v. slaan, treffen; voortdurend lawaai maken; opzettelijk lawaai maken; een speciale haardracht ("pony") maken waarbij het voorhoofd zichtbaarder wordt; (Agressieve Slang) deelnemen aan geslachtsgemeenschap, een paar vormenbang1[ bæng] 〈zelfstandig naamwoord〉1 klap ⇒ dreun, slag2 knal ⇒ ontploffing, schot3 plotselinge inspanning/energie4 〈voornamelijk Amerikaans-Engels; informeel〉(hoop) plezier ⇒ kick, opwinding♦voorbeelden:1 he got a bang on the head • hij kreeg een klap op zijn hoofd3 start off with a bang • hard aan het werk gaan/van stapel lopen¶ 〈informeel〉 go off/ 〈Amerikaans-Engels〉 go over with a bang • een reuzesucces oogsten————————bang2I 〈onovergankelijk werkwoord〉1 knallen ⇒ dreunen2 〈+on〉bonzen (op) ⇒ kloppen, slaan♦voorbeelden:¶ bang about • lawaai makenbang into someone • iemand toevallig ontmoeten→ bang awaybang away/II 〈overgankelijk werkwoord〉1 stoten ⇒ bonzen, botsen2 dichtgooien/smijten3 smijten ⇒ (neer)smakken4 in een pony knippen 〈haar〉5 〈slang〉neuken met♦voorbeelden:¶ bang up • verwonden; vernielen; 〈slang〉achter de tralies zetten→ bang outbang out/————————bang3〈bijwoord〉1 precies ⇒ pats, vlak2 plof ⇒ boem, paf♦voorbeelden:1 bang in the face • precies in zijn gezicht〈informeel〉 bang on • precies goed/raakbang on time • precies op tijd2 go bang • uiteenbarsten; in elkaar klappenbang went another million • nog een miljoen naar de maancome bang up against (something) • stuiten op (iets)¶ 〈informeel〉 bang off • meteen————————bang4〈tussenwerpsel〉1 boem! ⇒ pats!, pang!
English-Dutch dictionary. 2013.